Vroeg of laat in een eerlijk gesprek over kink, vaak laat op een avond na een goed glas wijn, komt iemand met de vraag. Heeft het iets te maken met wat je hebt meegemaakt? Of, voorzichtiger gesteld: denk je dat het ergens vandaan komt?
De vraag is herkenbaar, en ook ongemakkelijk. Wie Dominant is en het hoort, voelt al een verdedigingslinie opkomen. Wie sub is en het hoort, voelt soms iets anders, een soort herkenning die meteen weer wordt teruggetrokken. De vraag is geladen omdat ze in zich draagt: misschien is wat ik doe niet vrij gekozen maar uit iets oudere voortgekomen. Misschien is mijn verlangen geen verlangen maar een symptoom.
Dit is een vraag die zich in de kinkgemeenschap zelden helemaal laat afdoen. Ze keert terug, vaak in andere gedaantes, soms gesteld door buitenstaanders, soms door onszelf in een stil moment. We hebben er ook geen schoon antwoord op. Wat volgt is geen poging om dat antwoord alsnog te geven. Het is een poging om de vraag op een manier te benaderen die haar recht doet zonder haar te laten domineren.
Wat de hulpverlening ervan gemaakt heeft
Generaties hulpverleners hebben kink gelezen als symptoom. Dat klinkt overdreven, maar het is bibliotheekfeit. In de psychoanalytische traditie verschenen masochisme en sadisme als gestoorde aanpassingen aan vroege ervaringen. In opeenvolgende edities van de DSM, het diagnostisch handboek, stonden parafilieën jarenlang als stoornissen genoteerd. In klinische opleidingen werd aan studenten geleerd om bij kink-praktiserende cliënten te luisteren naar de oorsprong, alsof de oorsprong de praktijk verklaarde en daarmee in zekere zin afdeed.
Die houding is empirisch nooit gefundeerd geweest. Het werd verondersteld omdat het in de cultuur paste, niet omdat het uit het onderzoek volgde. Toen het onderzoek kwam, vertelde het een ander verhaal.
In de DSM-5, gepubliceerd in 2013, werd voor het eerst een formeel onderscheid gemaakt tussen parafilieën en parafiele stoornissen (American Psychiatric Association, 2013). Een parafilie wordt pas een stoornis wanneer ze schade berokkent aan de persoon zelf of aan anderen, of wanneer ze gepaard gaat met persoonlijk lijden. Wie BDSM consensueel beoefent zonder schade, heeft volgens dat kader geen stoornis. Dat is een belangrijke verschuiving, ook al loopt de praktijk vaak achter bij wat het handboek zegt.
Wat onderzoek dan wel laat zien
Empirisch onderzoek van het voorbije decennium tekent een ander beeld dan de oude pathologie veronderstelde.
Een Nederlandse studie met meer dan 1300 deelnemers vergeleek BDSM-praktiserenden met een controlegroep. De BDSM-groep scoorde minder neurotisch, opener voor ervaringen, consciëntieuzer, minder gevoelig voor afwijzing, en met een hoger subjectief welbevinden dan de controlegroep. De auteurs concludeerden dat BDSM beter begrepen kan worden als recreatieve vrijetijdsbesteding dan als uiting van psychopathologie (Wismeijer & van Assen, 2013).
Een grootschalige Australische bevolkingsstudie kwam tot vergelijkbare bevindingen. BDSM-praktiserenden vertoonden geen verhoogde scores op psychologische distress, geen verhoogde geschiedenis van seksueel geweld, en geen indicatoren van pathologie ten opzichte van de algemene bevolking (Richters et al., 2008).
Dichter bij huis, in eigen land, voerden Belgische onderzoekers een grootschalige studie uit naar de prevalentie van BDSM-fantasieën en -activiteiten in de algemene bevolking. Ze vonden dat meer dan veertig procent van de respondenten BDSM-gerelateerde fantasieën rapporteerde en bijna twintig procent op een of andere manier actief was geweest in dergelijke praktijken (Holvoet et al., 2017). Met andere woorden: de mensen die zich kinkster noemen, zijn niet de uitzondering die ze in het publieke imago lijken. Ze zijn een veel groter deel van de bevolking dan zelfs veel kinksters zelf vermoeden.
Wat al deze studies samen suggereren is dat kink statistisch geen patroon van pathologie volgt. Wie BDSM beoefent, lijkt gemiddeld even goed of beter te functioneren dan wie het niet doet. Dat is een eerste, belangrijk vertrekpunt.
Maar het is niet het hele verhaal.
Wat statistiek niet ziet
Statistiek beschrijft groepen. Ze zegt iets over wat gemiddeld waar is. Ze zegt veel minder over wat in een individueel leven aan de hand is.
Wanneer een individuele kinkster in een individueel gesprek de vraag stelt naar de relatie tussen wat hij heeft meegemaakt en wat hij verlangt, helpt de groepsstatistiek hem niet. Wat hem zou kunnen helpen is een kader waarin hij de vraag kan stellen zonder dat het antwoord op voorhand klaar ligt.
In de meer recente literatuur is een belangrijk onderscheid opgekomen tussen drie mogelijke relaties tussen trauma en kink (Thomas, 2020; Peleg-Sagy & Lafortune, 2024).
De eerste relatie is geen relatie. Voor veel kinksters is hun verlangen niet voortgekomen uit specifieke schade en niet ermee verbonden. Onderzoek bevestigt dat de meerderheid van BDSM-praktiserenden geen geschiedenis van seksueel of fysiek misbruik rapporteert die hoger ligt dan in de algemene bevolking. Kink heeft, voor een grote groep, gewoon zijn eigen ontstaansgeschiedenis. Vroege beeldvorming, fantasieën uit de adolescentie, een ontdekking in een specifieke relatie, een esthetische voorkeur, een lichamelijke gevoeligheid. Niet alles wat we doen verwijst naar een wond.
De tweede relatie is trauma als oorsprong. Sommige kinksters herkennen, in zichzelf of in retrospectief gesprek, een lijn tussen wat ze hebben meegemaakt en wat ze nu verlangen. Iemand die als kind machtig oncontroleerbare situaties heeft moeten ondergaan, kan later een verlangen ontwikkelen om in een gecontroleerde setting te ondergaan wat eerder ongecontroleerd was. Of omgekeerd: iemand die machteloos was, ontwikkelt een verlangen naar controle. Niet als pathologie, maar als psychologisch begrijpelijke vorming. Hier is de relatie reëel, en het ontkennen ervan helpt niemand.
De derde relatie is wat in de literatuur trauma-play wordt genoemd, en wat misschien het meest interessante onderdeel van het hele veld is. Trauma-play is geen herhaling van trauma; het is een bewust, vrijwillig, geherstructureerd terugkeren naar de plek van het trauma vanuit een positie van agency en kracht (Thomas, 2020). Wat oorspronkelijk overkomen werd, wordt nu gekozen. Wat oorspronkelijk machteloosheid was, wordt nu kracht. Wat oorspronkelijk afgesloten was, wordt nu geopend en in een ander licht geplaatst. Het is dichter bij wat in trauma-therapie ooit beheersing (mastery) werd genoemd dan bij wat ooit herhalingsdwang (repetition compulsion) heette.
Voor wie zichzelf herkent in een van deze drie posities, is het belangrijk te weten dat ze alle drie bestaan. En dat ze elkaar niet uitsluiten. Het is mogelijk dat een deel van iemands kink uit het ene voortkomt en een ander deel uit een ander. Mensen zijn meervoudig.
Herhaling, of iets anders
Het verschil tussen schadelijke herhaling en helende beheersing is geen formaliteit. Het is, in veel opzichten, de kern van waar het over gaat.
Herhalingsdwang, in de klassieke beschrijving, is wat gebeurt wanneer het lichaam blijft terugkeren naar de plek van de wond zonder daar iets te kunnen veranderen. De handelingen herhalen zich, de emoties keren terug, maar er is geen nieuwe ervaring, geen integratie, geen ruimte. De wond blijft een wond, en wordt door de herhaling soms zelfs dieper.
Beheersing daarentegen is wat gebeurt wanneer het lichaam terugkeert naar de plek van de wond op een manier die de wond verandert. Hetzelfde materiaal, andere choreografie. De rollen veranderen. De stem verandert. De afloop verandert. Wat eerst dictaat was, is nu een ritueel. Wat eerst dwang was, is nu een keuze. Wat eerst gericht was op iemand anders, wordt nu gericht op het zelf.
In de praktijk zijn de twee niet altijd helder gescheiden. Een scene kan in herhaling beginnen en in beheersing eindigen. Of omgekeerd. Wat in een bepaalde periode helend werkte, kan in een andere periode terug schadelijk worden, of omgekeerd. Dit zijn geen vaste categorieën waarin een persoon thuishoort. Het zijn bewegingen die gedurende een leven kunnen verschuiven.
Hoe weet je in welke je zit? Niet door erover na te denken. Door erop te letten. Door je af te vragen: hoe voel ik me na een scene? Op de korte termijn, op de langere termijn. Lichter of zwaarder? Dichter bij mezelf of verder weg? Beter geïntegreerd met mijn dagelijkse leven, of meer gespleten? Wat in de richting van integratie wijst, mag verder. Wat in de richting van fragmentatie wijst, vraagt om aandacht.
De rol van toestemming
Wat trauma onderscheidt van wat erop lijkt maar het niet is, is dat trauma per definitie ongekozen was. Het is iets dat de persoon overkomen werd, in een toestand of in een verhouding waarin geen weigering mogelijk was. Wat dan herhaald wordt, herhaalt die ongekozenheid wanneer het in een nieuwe context opnieuw ongekozen blijft.
Hier zit het wezenlijke onderscheid tussen wat in een BDSM-scene gebeurt en wat in trauma gebeurde. Wie zich consensueel laat vastbinden, kiest. Wie zich consensueel laat slaan, kiest. Wie consensueel onderwerping ervaart, kiest. De toestemming is geen formaliteit; ze is wat de hele structuur verandert. Wat eerst de aanwezigheid van iets ongekozens was, wordt nu de aanwezigheid van iets gekozens, en die verschuiving is psychisch ingrijpend.
Dat is ook de reden waarom de eerdere TINKs op deze site zoveel ruimte gaven aan toestemming, communicatie en aftercare. Niet omdat het juridische formules zijn. Omdat het de werkzame ingrediënten zijn die het verschil maken tussen wat een wond verdiept en wat een wond opent op een ander manier.
Voor wie met trauma in zijn geschiedenis aan kink begint, is dit kader zowel beschermend als bevrijdend. Beschermend omdat het mechanismes biedt om uit een scene te stappen wanneer iets niet meer in de richting van beheersing maar in de richting van herhaling beweegt. Bevrijdend omdat het bevestigt dat keuze hier echt iets verandert, en dat wie kiest niet hetzelfde doet als wie ondergaat.
Wanneer de vraag de val wordt
Er is een ander gevaar dan het ontkennen van een mogelijke relatie tussen trauma en kink, en dat is het overschatten ervan. Wie elke kink-handeling moet rechtvaardigen door verwijzing naar een geschiedenis, of door uitsluiting van een geschiedenis, ontkomt niet uit het symptoomdenken. Hij draait er enkel in een andere richting in.
Niet alle kink heeft een uitleg nodig. Veel mensen verlangen wat ze verlangen omdat ze het verlangen. Dat is, in laatste instantie, hoe verlangen werkt. We kennen onze diepste motieven niet, en als we ze al kennen, dan slechts gedeeltelijk. De vraag “waarom verlang ik dit” kan vruchtbaar zijn, maar ze kan ook een truc worden van het hoofd om iets onder controle te krijgen wat zich niet onder controle laat brengen.
In de kinkgemeenschap is er soms een tegengestelde valkuil aan de pathologisering, namelijk de neiging om elke kink-praktijk uit te leggen vanuit een geschiedenis van helende beheersing. Alsof iedere kinkster een verwerkingstraject doorloopt waarvan kink het instrument is. Dat is voor sommigen waar. Voor anderen niet. Het schoenpassen van het ene model op iedereen mist de werkelijkheid even hard als het andere.
De volwassen positie tegenover de vraag naar trauma en kink is dus dubbelzijdig. Aan de ene kant het vermogen om te erkennen dat trauma en kink, voor wie dat herkent, een echte relatie hebben en dat aandacht verdienen. Aan de andere kant het vermogen om die vraag niet als verplichte achtergrond bij elke handeling te laten staan. Wie verlangt, mag verlangen, zonder daarover voortdurend rekenschap te moeten geven aan zichzelf of aan een denkbeeldige instantie.
Wat doe je ermee
Hier passen geen voorschriften. Wat past zijn enkele oriëntatiepunten voor wie zelf met de vraag bezig is.
Erken zonder reduceren. Als je een verband voelt tussen wat je hebt meegemaakt en wat je verlangt, mag je dat erkennen zonder dat het je verlangen verkleint. Wat uit een wond komt, is daarom nog niet niets. Verlangen heeft vele oorsprongen, en zelden één.
Let op de richting. Wat je doet, doet het iets met je. Niet metaforisch, ook concreet. Na een scene voel je iets. Een week later voel je iets. Patronen worden zichtbaar over tijd. Wat in de richting van meer integriteit gaat, mag verder. Wat in de richting van meer versplintering gaat, vraagt aanpassing. Soms in de manier van spelen. Soms in de partner. Soms in de frequentie. Soms in een gesprek met iemand buiten het spel.
Bouw je structuur. Toestemming, communicatie, veilig woord, aftercare zijn niet enkel veiligheidsmaatregelen. Ze zijn de architectuur die maakt dat een scene iets anders kan zijn dan een herhaling. Voor wie met trauma in zijn geschiedenis speelt, zijn ze niet optioneel maar essentieel.
Spreek met de juiste mensen. Een scene-vriend die zelf het pad heeft afgelegd is soms een betere gesprekspartner dan een goedbedoelende buitenstaander. Een kinkaware hulpverlener kan helpen waar de gemeenschap niet voldoende is. Een Dominant die haar sub kent en kan dragen, kan in een goede dynamiek een onderdeel van de verwerking zijn, op voorwaarde dat ze die rol niet verwart met therapie.
Laat de vraag niet alles vragen. Op een bepaald moment is genoeg gevraagd. Het verlangen mag bestaan zonder voltooide verklaring. De vraag mag in de achtergrond zakken zodra ze haar werk heeft gedaan.
Dus?
Wat trauma met kink doet, en wat kink met trauma doet, is voor elke persoon iets anders. Er is geen universele formule. Er is wel een richtinggevende observatie: in een goede kink-praktijk, met aandacht, met toestemming, met communicatie, met aftercare, met gemeenschap, wordt iets dat anders een herhaling had kunnen worden in veel gevallen iets anders. Niet altijd. Niet automatisch. Maar vaker dan de buitenwereld vermoedt.
Wat we niet willen, op TNKKNK, is dat de vraag naar trauma en kink ofwel ontkend wordt ofwel het laatste woord krijgt. Het is een vraag die mag bestaan, naast vele andere. Voor wie er iets aan heeft, helpt het denken erover. Voor wie er niets aan heeft, mag ze rusten.
Voor wie ergens tussenin zit, en de meeste van ons zitten daar: bestaat de mogelijkheid om aan de vraag te werken in plaats van haar op te lossen. Werken aan een vraag, in deze zin, is niet het zoeken naar het antwoord. Het is het ontwikkelen van een manier om met haar te leven. Soms maakt die ontwikkeling het uiteindelijk minder belangrijk om het antwoord te krijgen.
Wat herken je hierin? Wat klopt voor jou niet? Wat ontbreekt?
